Maand: maart 2026

Schenking aandelen aan trouwe werknemer is geen loon

Een werknemer krijgt na jaren trouwe dienst alle aandelen van zijn werkgever geschonken. De aandelen zijn € 7,8 miljoen waard. De inspecteur merkt dit bedrag aan als loon uit dienstbetrekking. De werknemer heeft immers geen familieband met de schenker en dankt de schenking aan zijn bewezen kwaliteiten als directeur. De werknemer stelt dat sprake is van een zuivere schenking in het kader van bedrijfsopvolging. Vormen de aandelen loon?

Van junior tot directeur tot eigenaar

Een man begint in 2000 als junior bij een concern en werkt zich op tot directeur. Sinds 2007 is hij onafgebroken in dienst. De enig aandeelhouder heeft geen opvolger binnen de familie en wil dat het meer dan honderdjarige familiebedrijf zijn karakter behoudt. Hij schenkt in 2022 alle aandelen aan de directeur. De waarde bedraagt € 7,8 miljoen. De schenking bevat een doorgeefverplichting: als de directeur geen bestuurder meer is, moet hij de aandelen om niet overdragen aan zijn opvolger(s). De inspecteur belast het volledige bedrag als loon in box 1.

Beloning of bedrijfsopvolging?

De inspecteur stelt dat een causaal verband bestaat tussen de schenking en de dienstbetrekking. De werknemer kreeg de aandelen omdat hij zich als werknemer had bewezen. Zonder die dienstbetrekking had hij de aandelen nooit gekregen. Bovendien ontbreekt een familieband of andere persoonlijke relatie met de schenker. De werknemer betoogt dat sprake is van een reële bedrijfsopvolging. De schenker wilde de continuïteit van de onderneming waarborgen en voorkomen dat het bedrijf ten prooi zou vallen aan grotere spelers.

Causaal verband is niet genoeg

De rechtbank stelt voorop dat de aandelen behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever. De schenker is niet gecompenseerd voor zijn verarming. Een causaal verband tussen voordeel en dienstbetrekking betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel heeft verstrekt. Uit het getuigenverhoor blijkt dat de schenker de aandelen uit eigen beweging schonk, vanuit zijn diepgewortelde wens dat de onderneming haar karakter zou behouden. De schenker had daarbij vooral zijn aandeelhouderspet op, niet zijn werkgeverspet. Bovendien kreeg de werknemer de aandelen niet vrij in handen: hij moet ze doorgeven aan zijn opvolgers. De doorgeefverplichting benadrukt hier dat de continuïteit van de onderneming vooropstaat, niet de beloning van de werknemer. Van loon van derden of fooien is evenmin sprake, omdat de aandelen geen vergoeding vormen voor verrichte werkzaamheden.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:213 | 28-01-2026

Schuld aan jezelf verdwijnt en levert belastbare winst op

Een bv koopt voor € 2.500 een vordering van ruim € 6 miljoen op zichzelf. Die vordering verdwijnt daardoor: je kunt immers geen schuld aan jezelf hebben. De inspecteur ziet dit als een voordeel en heft vennootschapsbelasting over het verschil. De bv vindt dat onterecht. 

Hoe ontstond deze situatie?

Een commanditaire vennootschap (cv) – een samenwerkingsverband tussen vennoten – wordt bestuurd door een bv. In de loop der jaren koopt die bv alle belangen van de andere vennoten op. Uiteindelijk is de bv de enige overgebleven vennoot. Van een echte samenwerking is dan geen sprake meer: de cv en de bv zijn feitelijk één geworden. De cv had een schuld van ruim € 6 miljoen aan een andere groepsvennootschap voor managementvergoedingen. Die groepsvennootschap gaat failliet. De curator verkoopt de vordering aan de bv voor slechts € 2.500.

Schuld aan jezelf bestaat niet

Door de aankoop van de vordering ontstaat een bijzondere situatie. De bv is nu zowel schuldeiser als schuldenaar. Je kunt geen schuld aan jezelf hebben: als je € 100 tegoed hebt van jezelf, kun je dat bedrag niet opeisen. De schuld verdwijnt daarom automatisch. Dit heet in juridische termen ‘schuldvermenging’. De rechtbank oordeelt dat het niet uitmaakt dat de cv nog bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven. Er is geen samenwerkingsverband meer, dus de cv bestaat fiscaal niet meer als zelfstandige entiteit.

Vrijval is winst

De bv had een schuld van € 6 miljoen op de balans staan. Die schuld verdwijnt nu voor € 2.500. Het verschil is een voordeel. De inspecteur belast dit als kwijtscheldingswinst. De bv probeert daar onderuit te komen met verschillende argumenten. Zij stelt dat de vrijval niet belast zou moeten worden, omdat de lening bijzondere kenmerken had. De rechtbank verwerpt dit. De bv heeft geen leningsovereenkomst overgelegd waaruit die bijzondere kenmerken blijken. Ook het beroep op eerder gemaakte afspraken met de Belastingdienst slaagt niet, omdat de bv niet kan bewijzen dat die afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:969 | 03-03-2026

Geen renteaftrek, ondanks snelle aflossing hypotheek

Een man koopt in 2015, samen met zijn echtgenote, een woning. Zij sluiten hiervoor een hypotheek af bij een bank. Het betreft een annuïtaire lening met een looptijd van 30 jaar. In 2019 besluit de man een deel van de hypotheek af te lossen. Hij sluit hiervoor een nieuwe lening bij zijn eigen bv. Deze lening heeft een contractuele looptijd van 30 jaar. Aan het einde van dat jaar is de schuld bij de bank aanzienlijk verminderd. In 2020 zet hij het aflossen van de hypotheek door en sluit hij nog een lening af bij zijn bv. Ook deze lening heeft een looptijd van 30 jaar. Hierdoor daalt de schuld bij de bank verder. In januari 2022 lost hij de beide leningen bij zijn bv volledig af.

De inspecteur stelt vast dat de leningen bij de bv niet voldoen aan de voorwaarden van een eigenwoningschuld. Bij de leningen van de bv is geen rekening gehouden met de reeds verstreken looptijd van de oorspronkelijke lening. Daardoor overschrijden de looptijden de voor aftrek geldende wettelijke maximumtermijn van 360 maanden. Als gevolg hiervan mag de man de rente van beide leningen niet aftrekken. De man maakt bezwaar tegen de correcties. Hij wijst erop dat hij beide leningen in 2022, ruim vóór het verstrijken van de maximale termijn van 360 maanden, volledig heeft afgelost. Hij voert aan dat deze feitelijke aflossing ervoor zorgt dat de leningen niet daadwerkelijk de maximale looptijd overschrijden, wat volgens hem voldoende zou moeten zijn om ze als eigenwoningschuld te kwalificeren.

De rechter benadrukt dat de leningen, op basis van de afgesloten overeenkomsten, niet voldoen aan de aflossingseis en daarmee niet binnen het wettelijke kader passen. De contractuele verplichting is leidend bij de vraag of een lening als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Het feit dat de man de leningen ruim binnen de 360 maanden volledig heeft afgelost, speelt geen rol in deze beoordeling. De wet kijkt alleen naar de contractueel afgesproken looptijd. Dat feitelijk eerder is afgelost, is hiervoor niet relevant.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:995 | 10-02-2026