Auteur: admin

Rentevordering te verrekenen met rekening-courantschuld

Een geldlening van een aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, valt onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van de inkomstenbelasting. De ontvangen rente is progressief belast. Een eventuele waardevermindering van de vordering wegens oninbaarheid komt in beginsel ten laste van het belastbare inkomen.

Een dga sloot in privé een kredietovereenkomst met een bank. Per ultimo 2013 bedroeg de schuld aan de bank ruim € 3,3 miljoen, inclusief bijgeschreven rente over 2013. De dga leende het geld door aan zijn bv. In 2013 werd € 190.923 aan rente op het doorgeleende geld aan de bv in rekening gebracht. De dga en de bv hadden daarnaast een onderlinge rekening-courant. In de rekening-courantovereenkomst was een verrekeningsbepaling opgenomen. Volgens deze bepaling werden de wederzijdse opeisbare vorderingen en schulden opgenomen in de rekening-courant en van rechtswege verrekend. De rekening-courantschuld van de dga aan de bv bedroeg op 1 januari 2013 € 5,6 miljoen. De bv ging in het voorjaar van 2013 failliet.

De vraag was of de dga de rentevordering van € 190.923 ten laste van zijn belastbare inkomen kon afwaarderen. In navolging van de inspecteur oordeelden de rechtbank en Hof Den Haag dat dit niet het geval was. De rentevordering was niet oninbaar, omdat deze kon worden verrekend met de schuld in rekening-courant van de dga aan de bv. De Faillissementswet maakt het mogelijk dat iemand die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekent indien de schuld en de vordering zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen die voor de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht.

Nog los van de mogelijkheid tot verrekening die de Faillissementswet biedt, had de dga die mogelijkheid op grond van de rekening-courantovereenkomst met de bv.

De rentevordering kon niet ten laste van het resultaat uit de terbeschikkingstellingsregeling worden afgewaardeerd. De vraag of de lening die de dga aan de bv heeft verstrekt al dan niet onzakelijk was hoefde niet beantwoord te worden.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20201320, BK-19/00529 | 30-07-2020

Bewust onjuiste aangiften box 3 van partners

De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen aan een belastingplichtige aan wiens opzet of grove schuld te wijten is dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast dat sprake is van opzet of grove schuld rust op de Belastingdienst.

Echtgenoten zijn voor belastingdoeleinden elkaars partner. Een van de gevolgen van fiscaal partnerschap is dat gezamenlijke inkomensbestanddelen onderling verdeeld kunnen worden in de verhouding waar de partners voor kiezen, zolang zij gezamenlijk 100% van de inkomensbestanddelen in aanmerking nemen. De inkomsten in box 3 van de inkomstenbelasting kunnen partners onderling toedelen.

Twee echtgenoten deden apart van elkaar, maar op dezelfde dag en in onderling overleg, aangifte voor de inkomstenbelasting. Ieder van de echtgenoten vulde in dat zijn aandeel in het gezamenlijke voordeel uit sparen en beleggen nihil was en deelde dat voordeel volledig toe aan de partner. In de op deze aangiften gebaseerde aanslagen is bij geen van beide echtgenoten belasting berekend over het box 3-inkomen.

De Belastingdienst heeft, na de ontdekking daarvan, navorderingsaanslagen opgelegd waarbij aan elk van de partners de helft van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in aanmerking werd toegerekend. Bij die navorderingsaanslagen zijn vergrijpboetes van 25% van de nagevorderde belasting opgelegd wegens grove schuld. Volgens de rechtbank was het aan grove schuld van de echtgenoten te wijten dat de aanslagen naar een te laag bedrag zijn vastgesteld. De rechtbank vond niet aannemelijk dat de echtgenoten door de invulinstructies en hulpteksten bij het aangifteprogramma op het verkeerde been zouden zijn gezet. Het is van algemene bekendheid dat over een vermogen van enige omvang belasting is verschuldigd. Dat hebben de echtgenoten in eerdere jaren, toen zij correcte aangiften indienden, ook ervaren. Het argument dat de aangiften van ieder van de echtgenoten afzonderlijk beschouwd niet onjuist waren, sneed geen hout. Volgens de rechtbank hebben de echtgenoten bewust gekozen voor een verdeling die niet onderling overeenkwam.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20205120, HAA 19/5305 en HAA 19/5306 | 30-07-2020

Privégebruik auto en omzetbelasting

Het gebruik van een auto van de zaak voor privédoeleinden van de ondernemer of zijn personeel wordt voor de omzetbelasting gelijkgesteld met een dienst. Voorwaarde is dat de ondernemer voor de auto recht op aftrek van voorbelasting heeft. De maatstaf van heffing wordt gesteld op de door de ondernemer met het oog op dat gebruik voor de auto gemaakte uitgaven. Op grond van een goedkeuring mag de omzetbelasting ter zake van het privégebruik van een auto ook forfaitair worden berekend. Dat forfait bedraagt 2,7% van de catalogusprijs van de auto op jaarbasis.

Volgens de Hoge Raad heeft strijd van een uitvoeringsbepaling met het Unierecht alleen gevolgen wanneer een belastingplichtige met recht aanvoert dat toepassing van de uitvoeringsbepaling ertoe leidt dat meer belasting wordt geheven dan volgens de in het Unierecht neergelegde maatstaf toelaatbaar is. In een dergelijk geval is omzetbelasting verschuldigd voor zover dat volgens de in het Unierecht neergelegde maatstaf toelaatbaar is. Dat geldt ook voor het geval een ondernemer bij de voldoening op aangifte is uitgegaan van een buitenwettelijke regeling, zoals de forfaitaire regeling voor het privégebruik. Een ondernemer heeft geen recht op terugbetaling van de op aangifte voldane omzetbelasting indien niet meer omzetbelasting is geheven dan over de voor het privégebruik van de auto gedane uitgaven. De ondernemer zal aannemelijk moeten maken dat de omzetbelasting volgens het forfait hoger is dan de omzetbelasting over de aan het privégebruik toerekenbare kosten.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het standpunt van een ondernemer, dat alleen de variabele uitgaven aan het privégebruik behoeven te worden toegerekend, afgewezen. Volgens de ondernemer werden de vaste uitgaven toch al gedaan omdat de auto’s voor zakelijke ritten aan de werknemers ter beschikking worden gesteld. Alleen werknemers met veel zakelijke ritten kregen een auto ter beschikking gesteld. Volgens het hof is het zonder de vaste uitgaven niet mogelijk om een auto ter beschikking te stellen voor privégebruik. De vaste uitgaven behoren tot de gedane uitgaven, die naar rato van het aandeel in het totale gebruik aan het privégebruik moeten worden toegerekend.

In deze procedure was ook de kwalificatie van het woon-werkverkeer in geschil. In het algemeen geldt dat het woon-werkverkeer als privé wordt aangemerkt. De ondernemer meende echter dat zich een uitzondering op deze regel voordeed. De werknemers hadden de mogelijkheid om thuis te werken. De werkgever had daartoe apparatuur ter beschikking gesteld. De afstand tussen woning en werk is door het thuiswerken tot nihil gereduceerd en speelt geen rol meer in de woonplaatskeuze van de werknemers. Volgens de ondernemer hebben de werknemers door de mogelijkheid om locatie-onafhankelijk te werken geen vaste plaats van tewerkstelling meer. Het hof heeft dit standpunt niet overgenomen. De mogelijkheid om thuis te werken kan wel het aantal woon-werkkilometers verminderen, maar wijzigt het karakter van de ritten tussen huis en kantoor niet. De woonplaats blijft een keuze van de werknemer en de plaats waar een groot deel van de werkzaamheden wordt verricht, is het kantoor van de ondernemer. Volgens het hof blijft het een privéaangelegenheid van de werknemers om deze afstand te overbruggen ingeval zij, vrijwillig of noodzakelijk, de rit naar en van kantoor maken.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20205444, 19/01202 en 19/01203 | 30-07-2020

Erfgenaam kan dividendbelasting op gelegateerde aandelen niet verrekenen

Dividendbelasting wordt geheven van degenen die gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in een Nederland gevestigde nv of bv. De dividendbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Dat wil zeggen dat de ingehouden dividendbelasting kan worden verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting. Een procedure voor Hof Den Haag had betrekking op de vraag aan wie het recht op verrekenen van dividendbelasting toekwam die betrekking had op aandelen die tot een nalatenschap behoorden.

De erflaatster had in haar testament de aandelen gelegateerd aan haar schoonzussen. Het testament bepaalde verder dat de vruchten van de aandelen vanaf de dag van overlijden toekwamen aan de legatarissen. De rest van de nalatenschap kwam volgens het testament toe aan twee erfgenamen, die niet ook de legatarissen waren.

Na het overlijden van de erflaatster in 2015 keerde de bv dividend over de jaren 2013, 2014 en 2015 uit. Voor zover de dividenduitkeringen betrekking hadden op de periode tot de overlijdensdatum werden zij verrekend met een rekening-courantschuld van de erflaatster aan de bv. Een van de erfgenamen verwerkte een deel van de ingehouden dividendbelasting in haar aangifte inkomstenbelasting over 2015. Aanvankelijk volgde de Belastingdienst de aangifte. Dat werd gecorrigeerd door het opleggen van een navorderingsaanslag. Omdat de navorderingsaanslag betrekking had op het ten onrechte verrekenen van een voorheffing hoefde de inspecteur niet over een nieuw feit te beschikken om te mogen navorderen.

De rechtbank stelde vast dat de dividendbelasting werd verschuldigd op een tijdstip waarop de vruchten van de aandelen toekwamen aan de legatarissen. De erfgename is na het overlijden van de erflaatster geen moment gerechtigd geweest tot de opbrengst van de aandelen in de bv en was niet belastingplichtig voor de dividendbelasting. De omstandigheid dat een deel van het dividend is gebruikt voor de aflossing van de schuld van de erflaatster brengt niet mee dat de erfgename gerechtigd was tot deze dividenduitkeringen. Om die reden kon de erfgename de daarop ingehouden dividendbelasting niet als voorheffing verrekenen.

Hof Den Haag heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20201225, BK-19/00403 | 23-07-2020

Wijziging subsidieregeling elektrische personenauto’s

Op 1 juli 2020 is de Subsidieregeling elektrische personenauto’s in werking getreden. Op grond van deze regeling hebben particulieren recht op een subsidie van € 4.000 bij de aanschaf of lease van een nieuwe en elektrische personenauto. Voor de aanschaf of lease van een gebruikte personenauto geldt een subsidiebedrag van € 2.000. Het subsidieplafond van 2020 voor de aanschaf en lease van nieuwe elektrische personenauto’s is overigens al op 8 juli 2020 bereikt.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft in de subsidieregeling de begripsomschrijving van een nieuwe personenauto gewijzigd. De oude omschrijving was als volgt: de personenauto waarvan volgens het kentekenregister de datum van eerste toelating, de datum van eerste tenaamstelling en de datum waarop de personenauto voor het eerst op kenteken is geregistreerd, gelijk zijn. Om mogelijke verwarring te voorkomen is het woord ‘eerste’ voor tenaamstelling in de begripsbepaling van nieuwe personenauto vervallen. De wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2020, waardoor deze vanaf de start van de regeling geldt.

Bron: Overig | besluit | Staatscourant 2020 nr. 38763, nr. IENW/BSK-2020/141985 | 23-07-2020

Vaststellingsovereenkomst ter beëindiging arbeidsovereenkomst tijdig ontbonden

Werkgever en werknemer kunnen door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst beëindigen. De vaststellingsovereenkomst moet schriftelijk worden vastgelegd. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen binnen veertien dagen schriftelijk te ontbinden.

In een procedure in kort geding stelde de kantonrechter vast dat de werknemer de op 20 april 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst op 4 mei 2020 heeft ontbonden. De ontbinding heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van veertien dagen. De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft tot gevolg dat de beëindigingsovereenkomst eindigt op het moment waarop de schriftelijke verklaring de werkgever heeft bereikt. De arbeidsovereenkomst is hersteld per 5 mei 2020. Dat betekent dat de werkgever verplicht is het loon door te betalen vanaf die datum.

De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft geen terugwerkende kracht. Dat betekent dat de werknemer over de periode vanaf de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst tot en met de ontbinding daarvan geen recht op loon heeft.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20206141, 8553192 VV EXPL 20-215 | 23-07-2020

Uw NOW-aanvraag afronden 

De tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) geeft door corona getroffen bedrijven een tegemoetkoming in de loonkosten. Voor de eerste tranche (NOW-1) is de regeling als volgt: indien de omzet minimaal 20% gedaald is in de coronaperiode ten opzichte van het driemaandsgemiddelde van de omzet van 2019 dan heeft de aanvrager recht op de tegemoetkoming. De periode waarin de omzetdaling zich moet voordoen betreft drie aangesloten kalendermaanden. Naar keuze van de ondernemer start de periode op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. De tegemoetkoming bedraagt maximaal 90% van de loonsom bij een omzetdaling van 100%. De tweede tranche (NOW-2) betreft een periode van vier maanden. De omzet van deze periode wordt vergeleken met een derde van de jaaromzet van 2019.

Omzet

Voor het begrip omzet wordt aangesloten bij het jaarrekeningrecht. Dat wil zeggen dat de omzet wordt berekend onder aftrek van kortingen en dergelijke en exclusief de in rekening gebrachte omzetbelasting. Deze omzet dient aan de juiste periode toegerekend te worden. Daartoe worden geleverde, nog niet gefactureerde prestaties in de coronaperiode als onderhanden werk in de omzet opgenomen voor de NOW-regeling. Ontvangen subsidies in het kader van de coronacrisis, zoals de Tegemoetkoming ondernemers in getroffen sectoren (TOGS) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), tellen als omzet mee. 

Bij een correcte boekhouding is manipulatie van de omzet door deze te verschuiven naar een tijdvak buiten de periode waarin de omzetdaling wordt geconstateerd om een hogere tegemoetkoming te ontvangen niet mogelijk. Het voeren van een correcte boekhouding is de verantwoordelijkheid van de ondernemer. 

Definitieve aanvraag

Bedrijven, die een voorschot hebben aangevraagd, kunnen vanaf 7 oktober 2020 de definitieve aanvraag indienen voor de NOW-1 regeling. Bij een voorschot van minimaal € 20.000 of een definitieve tegemoetkoming van minimaal € 25.000 dient de aanvraag gecontroleerd te worden door een deskundige (accountants- of administratiekantoor, financieel dienstverlener of brancheorganisatie). Bij voorschotten van minimaal € 100.000 of een definitieve tegemoetkoming van minimaal € 125.000 dient de deskundige een accountant te zijn. Concerns, die van de mogelijkheid gebruik maken om voor een concernmaatschappij de NOW aan te vragen, dienen altijd een accountantsverklaring over te leggen. Bij kleine aanvragen tot € 25.000 is geen verklaring nodig. In alle gevallen geldt dat documentatie van groot belang is, aangezien de aanvraag en de subsidieverlening ook achteraf gecontroleerd kan worden. Ook voor deze aanvragen raden wij aan die te laten controleren door uw financieel adviseur.

Verklaring

De verklaring van de deskundige die bij de aanvraag moet worden gevoegd betreft de omzetdaling van de ondernemer. Zonder verklaring heeft de ondernemer geen recht op de tegemoetkoming en moet het voorschot worden terugbetaald. Bij een niet correcte boekhouding zal de deskundige de benodigde verklaring niet afgeven.

Termijnen

De definitieve aanvraag dient binnen 24 weken na 7 oktober ingediend te worden. Indien een accountantsverklaring vereist is, geldt een verruimde aanvraagtermijn van 38 weken.

Controle

Indien bij controle achteraf blijkt dat de aanvraag niet correct is, zal de tegemoetkoming teruggevorderd worden. De kans is groot dat er dan ook boetes opgelegd worden en rente wordt berekend over het terug te vorderen bedrag.

Bron: Overig | publicatie | 16-07-2020

Aftrekverbod lage arbeidsvergoeding meewerkende partner

De Wet IB 2001 kent een aftrekverbod voor arbeidsbeloningen die een ondernemer betaalt aan zijn partner. Het aftrekverbod geldt alleen indien de vergoeding lager is dan € 5.000. Als geen vergoeding wordt betaald voor de arbeid van de partner of wanneer de vergoeding lager is dan € 5.000 kan de ondernemer gebruik maken van de meewerkaftrek, op voorwaarde dat de partner op jaarbasis ten minste 525 uur meewerkt in de onderneming. Voor anderen dan de partner van de ondernemer geldt geen aftrekbeperking, ongeacht de hoogte van de arbeidsvergoeding.

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig over een door een ondernemer aan zijn partner betaalde vergoeding voor arbeid van € 1.500. Volgens Hof Den Haag valt deze vergoeding onder het wettelijke aftrekverbod. De vraag in de procedure bij de Hoge Raad is of sprake is van discriminatie.  

De Advocaat-Generaal (A-G) heeft een conclusie aan deze procedure gewijd. Hij stelt vast dat de weigering van de aftrek leidt tot een belastingnadeel voor de ondernemer en een belastingvoordeel voor de partner omdat de arbeidsvergoeding is vrijgesteld. De regeling kan als evenwichtig worden aangemerkt wanneer het nadeel voor de ene partner in de regel grotendeels wordt ondervangen door het voordeel voor de andere partner. Wanneer de ondernemer een hoger marginaal belastingtarief heeft dan zijn partner is per saldo sprake van een nadeel. In de jaren waarop de procedure betrekking heeft was het maximale tarief 52%. Het nadeel kon daarmee oplopen tot € 2.600 bij een vergoeding van net geen € 5.000. Bij andere relaties dan partnerrelaties doet zich dit nadeel niet voor. Volgens de A-G bestaat voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging.

De vrijstelling voor de vergoeding bij de meewerkende partner neemt wel een deel van het bezwaar weg, maar het resterende mogelijke progressienadeel kan volgens de A-G niet als onbeduidend worden afgedaan. Anders dan voor ongelijke behandelingen op sociaaleconomisch gebied, waar de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft, gaat het hier om een ongelijke behandeling naar gelang van de huwelijkse status op basis van doelmatigheidsargumenten. Hier geldt volgens de A-G een beperkte beoordelingsvrijheid.

De conclusie van de A-G is, dat het aftrekverbod een ontoelaatbare ongelijke behandeling van (in dit geval) gehuwde belastingplichtigen met zich meebrengt. De Hoge Raad kan het benodigde rechtsherstel zelf bieden omdat er geen rechtspolitieke keuzes hoeven te worden gemaakt. Rechtsherstel kan worden verleend door het fiscale nadeel dat de partners per saldo ondervinden als gevolg van de aftrekuitsluiting weg te nemen op de aanslag IB/PVV van de ondernemer.

Bron: Hoge Raad | Conclusie AG | ECLINLPHR2020621, 20/00058 | 16-07-2020

Wetsvoorstel aanpassing AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd minder snel stijgen dan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting. In plaats van een 1 op 1-koppeling komt er een 2/3-koppeling. Dit betekent dat voor ieder jaar levenswinst acht maanden langer moet worden doorgewerkt. Nu het pensioenakkoord is geaccepteerd door de achterban van de werknemersorganisaties heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarin de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting is verwerkt.

De koppeling is in de wet verwerkt in de vorm van een formule. Deze formule luidt als volgt:

V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67)

V is de verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van de AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar. Als V groter of gelijk is aan 0,25 gaat de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar met drie maanden omhoog. Als V kleiner is dan 0,25 blijft de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar gelijk.

2/3 is de coëfficiënt die ervoor zorgt dat de toename van levensverwachting voor twee-derde meetelt in een stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

L is de geraamde gemiddelde resterende levensverwachting op de 65-jarige verjaardag in het aanpassingsjaar en 20,64 is de door het CBS voor 2019 geraamde resterende levensverwachting op de 65e verjaardag voor het jaar 2024.

P is de geldende AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar.

67 is de geldende AOW-leeftijd in jaren in 2024.

Het jaar 2025 vormt een overgangsjaar. Voor dit overgangsjaar is in het wetsvoorstel vastgelegd dat de AOW-leeftijd 67 jaar bedraagt en de aanvangsleeftijd voor de AOW-verzekering 17 jaar.

De formele nieuwe koppeling van de AOW-leeftijd aan de resterende levensverwachting geldt derhalve vanaf het jaar 2026.

De pensioenrichtleeftijd is de in de belastingwetgeving opgenomen pensioenleeftijd. De pensioenrichtleeftijd is een rekengrootheid voor de bepaling van het maximaal op te bouwen pensioen in dienstbetrekking. Sinds 1 januari 2015 is de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Jaarlijks wordt bepaald in hoeverre de ontwikkeling van de levensverwachting leidt tot een verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd. Deze aanpassing vindt plaats in stappen van één jaar. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd wordt ten minste één jaar van tevoren bekendgemaakt. Sinds 2018 is de pensioenrichtleeftijd 68 jaar. Dat blijft zo totdat deze op basis van de 2/3-koppeling aan de resterende levensverwachting moet worden verhoogd. De stapgrootte van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd blijft één jaar.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 16-07-2020

Regeling TOFA twee weken langer open

De Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) is een tegemoetkoming voor het inkomensverlies van flexwerkers, oproep- en uitzendkrachten. De periode waarbinnen een aanvraag kan worden gedaan, is verlengd met twee weken tot en met 26 juli. De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand voor de maanden maart, april en mei. Voorwaarde voor de tegemoetkoming is dat de flexwerker in februari meer dan € 400 bruto aan inkomen had en in april minimaal de helft daarvan heeft verloren. De aanvrager mag in de maanden maart tot en met mei geen WW, bijstand, of andere socialezekerheidsregeling hebben ontvangen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 16-07-2020