Auteur: admin

Nieuwe bank Belastingdienst

Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Het nieuwe rekeningnummer staat op de website en in de berichten die de Belastingdienst stuurt. Ook worden de belastingteruggaven overgemaakt vanaf het nieuwe rekeningnummer.

In veel gevallen verloopt de overgang automatisch. Of actie nodig is, hangt af van de manier waarop betalingen worden gedaan. 

Betalen via iDEAL | Wero

Bij betalingen via iDEAL | Wero in het overzicht betalen en ontvangen wordt automatisch het nieuwe rekeningnummer gebruikt. Hiervoor is geen aanpassing nodig.

Automatische incasso

Ook bij automatische incasso verandert er niets. De Belastingdienst zet de incasso zelf om naar het nieuwe rekeningnummer.

Internetbankieren

Bij betalingen via internetbankieren is het belangrijk om per 1 mei 2026 het nieuwe rekeningnummer te gebruiken dat wordt vermeld in de betaalinformatie bij een belastingaanslag of rekening. Daarnaast is het verstandig het bestaande rekeningnummer in het adresboek van het internetbankieren aan te passen.

Papieren overboekingsformulier

Bij gebruik van een papieren overboekingsformulier moet per 1 mei 2026 eveneens het nieuwe rekeningnummer worden gebruikt dat staat vermeld op de betaalinformatie bij de aanslag of rekening.

Periodieke overboeking

Bij een periodieke overboeking moet het rekeningnummer worden aangepast zodra betaalinformatie met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer wordt ontvangen.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 15-04-2026

Ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen

Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv moeten voeren door bezwaar te maken tegen haar eigen afdracht, niet door de afdracht simpelweg achterwege te laten.

Internationale structuur

Een Nederlandse bv maakt deel uit van een internationale structuur. Via een Luxemburgse vennootschap ontvangt zij dividenden van € 300 miljoen. Die dividenden keert zij vrijwel volledig uit aan een Britse vennootschap. Op papier houdt de bv 15% dividendbelasting in: bijna € 45 miljoen. Maar zij draagt niets af. In haar aangifte claimt zij een vermindering ter grootte van de Luxemburgse bronbelasting die op de ontvangen dividenden zou drukken. Het probleem is dat die Luxemburgse belasting elders in de structuur volledig werd teruggevraagd. Per saldo betaalde niemand belasting.

Kunstmatige constructie

De inspecteur stelt een onderzoek in en legt een naheffingsaanslag op van bijna € 45 miljoen, plus een boete van ruim € 22 miljoen. De bv maakt bezwaar. In een eerdere procedure over de vennootschapsbelasting had het hof al geoordeeld dat de bv slechts een dienstverlenende rol speelt in een volstrekt kunstmatige structuur. De dividenden behoren niet tot haar winst. Op basis van die uitspraak vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag. Als er geen echte dividenden bestaan, hoeft er ook geen dividendbelasting te worden ingehouden.

Hof: ingehouden is ingehouden

De inspecteur gaat in hoger beroep en krijgt gelijk. Het hof wijst op een belangrijk onderscheid. De bv heeft zelf besloten dividend uit te keren en heeft zelf dividendbelasting ingehouden. Dat blijkt uit de dividendnota's. Uit de wet volgt dat degene die dividendbelasting inhoudt, deze ook moet afdragen. Zelfs als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden. De bv kan zich als inhoudingsplichtige niet verweren met het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd was. Daarvoor had zij bezwaar moeten maken tegen haar eigen afdracht.

Geen recht op vermindering

De bv had de afdracht achterwege gelaten door een vermindering te claimen voor buitenlandse bronbelasting. Maar die vermindering geldt alleen als de buitenlandse belasting daadwerkelijk drukt op de ontvangen dividenden. Dat is hier niet het geval. De Luxemburgse belasting werd in dezelfde structuur teruggevraagd en uit interne aantekeningen en e-mails blijkt dat de bestuurders van de bv dit wisten. Zij kozen er bewust voor de vermindering toch te claimen.

Boete blijft in stand

Het hof oordeelt dat de bv opzettelijk te weinig belasting heeft afgedragen. De bestuurders werkten nauw samen met de buitenlandse partijen en waren volledig op de hoogte van het kunstmatige karakter van de structuur. Zij wisten dat per saldo geen Luxemburgse belasting werd betaald. Toch claimden zij de vermindering. Dat de bv zich liet bijstaan door een belastingadvieskantoor, maakt het standpunt niet pleitbaar. De boete van 50% is passend, ook al gaat het om ruim € 22 miljoen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:169 | 23-03-2026

Autohandelaar ontsnapt deels aan btw-naheffing van € 3,5 miljoen

Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen. 

Hoe werkt de margeregeling?

De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs.

Transformeren naar marge-auto

In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's.

Twee situaties, twee uitkomsten

Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand.

Zonder papieren geen onderzoeksplicht

Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1847 | 15-03-2026

Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht

Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.

Van verlies naar winst

De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.

Oude verliezen verrekenen

De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.

Inspecteur hanteert clusterbenadering

De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.

Rechtbank: geen dwingend voorschrift

De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.

Doel horizontale verliesverrekening

Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.

Forse verlaging belastbaar bedrag

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3196 | 24-03-2026

Vinden droomwoning geen excuus

Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te zullen gebruiken. Nog voor de levering van deze woning vinden zij echter hun droomwoning. Pas na de levering van de eerste woning wordt de financiering van de droomwoning goedgekeurd. Het echtpaar stelt dat het vinden van hun droomwoning en de financieringsmoeilijkheden onvoorziene omstandigheden zijn. Als de financiering niet was gelukt, hadden ze de eerste woning als hoofdverblijf in gebruik genomen. 

Omdat de eerste woning nooit werd bewoond, legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De wetsgeschiedenis noemt voorbeelden als overlijden, echtscheiding, baanverlies en het aanvaarden van een baan in een andere regio of emigratie, die redelijkerwijs het niet-bewonen van de woning als hoofdverblijf kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat het verkrijgen van de droomwoning niet als zodanige onvoorziene omstandigheden geldt. Het verlaagde tarief van 2% is daarom niet van toepassing. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:181 | 27-01-2026

Tariefmaatregel partneralimentatie: belasting hoger dan aftrek

Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.

De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn. 

De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 | 15-03-2026

Selectie door algoritme leidt niet tot onrechtmatig bewijs

Een administratiekantoor wordt geselecteerd voor controle door het algoritme 'OB Negatief'. De eigenaar stelt dat dit onrechtmatig is en dat alle bevindingen daarom moeten worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt anders. Algoritmische selectie is niet per definitie onrechtmatig. Zolang de uiteindelijke beslissing door een mens wordt genomen en geen discriminerende criteria worden gebruikt, mag de Belastingdienst dit hulpmiddel inzetten. Wie vervolgens geen concrete bezwaren tegen de correcties aanvoert, trekt aan het kortste eind.

Teruggaafverzoek leidt tot boekenonderzoek

Een bv verleent administratieve en fiscale diensten aan ondernemingen. De eigenaar verzorgt zelf de boekhouding en doet de btw-aangiften. Na een verzoek tot teruggaaf over het vierde kwartaal 2022 selecteert het systeem van de Belastingdienst de bv voor controle. Het gaat om het risicoselectiemodel 'OB Negatief'; een algoritme dat negatieve btw-aangiften beoordeelt op de kans dat ze onjuist zijn. De Belastingdienst stelt daarna een boekenonderzoek in over de jaren 2018 tot en met 2022.

Naheffingen en boetes

Het onderzoek leidt tot naheffingen van in totaal ruim € 64.000. De inspecteur constateert dat de bv voorbelasting heeft afgetrokken voor uitgaven die privé van aard zijn. Daarnaast legt hij over de jaren 2019 tot en met 2022 vergrijpboetes op van 25%. De eigenaar maakt bezwaar, maar de inspecteur houdt grotendeels vast aan de correcties.

Algoritme zou onrechtmatig zijn

In beroep trekt de eigenaar alle registers open. Hij stelt dat het algoritme in strijd is met de AVG en Europese rechtspraak. Het zou gaan om volledig geautomatiseerde besluitvorming zonder menselijke tussenkomst. Bovendien stond het algoritme niet in het Algoritmeregister. De selectie zou hierdoor onrechtmatig zijn en daarom zouden alle bevindingen moeten worden uitgesloten. Ook klaagt hij over onrechtmatig binnentreden van zijn woning bij het inleidend gesprek en tot slot over het achterhouden van stukken.

Rechtbank: geen onrechtmatigheid

De rechtbank volgt de eigenaar niet. De Belastingdienst ontvangt jaarlijks 2,6 miljoen negatieve btw-aangiften. Die kunnen niet allemaal handmatig worden beoordeeld. Het algoritme selecteert aangiften met een hogere kans op onjuistheid voor nadere beoordeling door een medewerker. Een mens neemt altijd de uiteindelijke beslissing – wel of geen correctie. Van volledig geautomatiseerde besluitvorming is dus geen sprake. Het algoritme verwerkt alleen zakelijke gegevens zoals aangiftebedragen, betalingsgegevens en bedrijfsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens zoals etnische afkomst worden niet gebruikt. De eigenaar heeft ook geen concrete feiten aangevoerd waaruit discriminatie of een ander onoorbaar criterium zou blijken.

Correcties terecht toegepast

De inhoudelijke correcties zijn uitgebreid onderbouwd in het controlerapport. De eigenaar volstaat met de algemene stelling dat de administratie onjuist zou zijn, maar concretiseert dit niet. Ook na inzage in de auditfiles waarop de controle is gebaseerd, benoemt hij geen specifieke fouten. De rechtbank acht de correcties aannemelijk. De boetes van 25% zijn eveneens terecht: het gaat om privé-uitgaven die als zakelijk zijn opgevoerd. Van iemand die zelf fiscale diensten verleent, mag worden verwacht dat hij dit onderscheid kent. De rechtbank spreekt van grove schuld.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 | 18-02-2026

Zes weken om partnerverdeling te wijzigen

Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking.

Box 3 en massaal bezwaar

Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote.

Inspecteur weigert

De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad.

Wanneer mag de verdeling nog worden aangepast?

Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen.

Wetgever heeft dit over het hoofd gezien

De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk.

Pas na vermindering is er duidelijkheid

De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd.

Zes weken

De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:495 | 26-03-2026

Bod op onderneming bepaalt waarde bij inbreng

Een dierenarts brengt zijn praktijk in een bv in en waardeert de goodwill op € 400.000. Kort daarvoor had een investeerder ruim € 3 miljoen geboden. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts dat bod niet zomaar mocht negeren.

Investeerder klopt aan

Een dierenarts runt samen met zijn ouders een dierenartspraktijk. Begin 2020 meldt zich een grote internationale investeerder met interesse in overname. Na uitwisseling van cijfers volgt in augustus 2020 een bod van € 3,3 miljoen plus een bonus bij toekomstige groei. De familie tekent een intentieverklaring, maar haakt tijdens het boekenonderzoek af. Ze wil de praktijk toch niet uit handen geven.

Praktijk ondergebracht in bv

Vier maanden later brengt de familie de praktijk onder in bv's. Zij kiezen voor een zogeheten ruisende inbreng: de meerwaarde van de praktijk wordt direct belast, in ruil voor een hogere boekwaarde in de bv. De dierenarts waardeert zijn aandeel op basis van de zogenoemde multiple methode, een gangbare rekenmethode in de branche. Hierbij wordt het bedrag van de veronderstelde jaarwinst vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De totale goodwill komt uit op € 400.000. Daardoor blijft de af te rekenen winst in de aangifte beperkt.

Een jaar later alsnog verkocht

In de zomer van 2021 meldt de familie zich opnieuw bij dezelfde investeerder. Nu volgt een bod van € 5,3 miljoen. Na onderzoek wordt de praktijk verkocht voor € 4,7 miljoen plus groeibonussen.
De inspecteur vraagt zich af hoe de praktijk in december 2020 € 400.000 waard kon zijn, terwijl een serieuze koper kort daarvoor € 3,3 miljoen had geboden. Hij verhoogt de goodwill naar € 4,7 miljoen en legt een forse aanslag op.

Wat een koper biedt, is de maatstaf

De rechtbank legt uit wat 'waarde in het economisch verkeer' betekent: de prijs die de hoogstbiedende zou betalen. Uit het bod van augustus 2020 blijkt dat die waarde rond de € 3,3 miljoen lag. De door de dierenarts gehanteerde waarde van € 400.000 is niet verdedigbaar. Zijn rekenmethode hield geen rekening met de groeikansen die de investeerder zag. Het argument dat de familie helemaal niet van plan was te verkopen, doet niet ter zake. Bij inbreng in een bv gaat het om de objectieve waarde, niet om de plannen van de eigenaar. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts bewust een te lage waarde heeft gehanteerd. Hij had moeten weten dat het negeren van een concreet bod zou leiden tot een veel te lage aangifte. De inspecteur gaat uit van de verkoopprijs van 2021, wat volgens de rechtbank ook niet reëel is. Tussen de inbreng en de verkoop is een concurrent in de buurt gestopt, waardoor de verwachting over de toekomstige omzet is gestegen. Die waardestijging bestond nog niet op de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde op € 4 miljoen: het midden tussen het bod van 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5203 | 09-02-2026

Vrachtwagenchauffeur hield terecht de vrachtwagen van zijn werkgever vast

Op 6 februari 2026 staakt een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan zijn rit langs de A1 bij Deurningen. Hij stopt met rijden en bezet de vrachtwagen van zijn werkgever, omdat hij wil dat zijn achterstallige loon wordt uitbetaald. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel oordeelt dat de chauffeur dit terecht heeft gedaan.

Retentierecht

De chauffeur verblijft sinds hij zijn werk heeft neergelegd in de cabine van de vrachtwagen, die geparkeerd staat op een parkeerplaats langs de snelweg. Hij beroept zich op zijn retentierecht: de man bezet de vrachtwagen totdat zijn werkgever het achterstallige loon uitbetaalt. Het gaat in totaal om bijna € 18.000. Het vasthouden van de vrachtwagen is een drukmiddel om de werkgever de schuld te laten betalen. De werkgever, een transportbedrijf uit Litouwen, spant een kort geding aan. Ze eist dat de chauffeur de vrachtwagen onmiddellijk teruggeeft. De chauffeur eist op zijn beurt, nu ook via de rechter, dat de werkgever het achterstallige loon uitbetaalt.

Terecht

De rechtbank oordeelt dat de vrachtwagenchauffeur terecht een beroep heeft gedaan op zijn retentierecht. De chauffeur uit Tadzjikistan staat in zijn recht wanneer hij zijn achterstallige salaris opeist en de vrachtwagen van zijn werkgever als drukmiddel gebruikt. De kantonrechter veroordeelt het transportbedrijf tot het uitbetalen van de achterstallige betalingen.

Dagvergoedingen voor West-Europese ritten

Tijdens de zitting wordt duidelijk dat de werkgever beloofde om de chauffeur een gedeelte van zijn loon, de dagvergoedingen, uit te betalen op het moment dat hij weer terug in Litouwen zou zijn. Dit gebeurt niet, omdat het transportbedrijf telkens weer een nieuwe rit voor de chauffeur plant. Hij blijft dus maanden rondrijden in Nederland, Duitsland en België. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever hierin tekortgeschoten is. De chauffeur heeft namelijk geld nodig om onderweg, tijdens zijn ritten, in zijn levensonderhoud te voorzien. De werkgever had de man twee keer per maand volledig moeten uitbetalen, zoals dat in de arbeidsovereenkomst is afgesproken. Dit heeft de werkgever niet gedaan. Daarnaast heeft het transportbedrijf geen loonspecificaties aan de chauffeur gegeven.

Bron: Rechtbank Overijssel | jurisprudentie | ECLI:NL:RBOVE:2026:1334 | 12-03-2026