Auteur: admin

Kosten eHerkenning geen excuus

Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.

Kosten eHerkenning niet onevenredig

Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.

Verzuimboete verminderd

De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.

Overschrijding redelijke termijn

De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026

Legitieme portie onder oud erfrecht is geen vordering

Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder. 

Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering

De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen.

Aanspraak niet uitgewerkt

Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen.

Geen partnervrijstelling voor kind

De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling.

Oud erfrecht werkt nog door

Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:669 | 16-04-2026

Aftrek maximaal 19 cent per kilometer

Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.

Wet maximeert aftrek

De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.

Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen

De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.

Twee lessen

Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026

Kleine AOW, grote gevolgen

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.

Geen ontheffing Zvw

De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.

Bezwaar bij SVB te laat

De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.

Inspecteur gaf tijdig advies

De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.

Belastingrechter niet bevoegd

Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.

Termijnen zijn streng

Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:740 | 17-03-2026

Vooruitbetaalde zorgpremie geen aftrekbare schuld in box 3

Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is.  Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Kan zij de vooruitbetaalde zorgpremie als aftrekbare schuld in box 3 meenemen?

Aangifte en huurtoeslag

Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag. 

Verzoek om schuldenaftrek

De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.

Geen schuld

De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026

Maatregelen energiecrisis

Het kabinet heeft een aantal maatregelen aangekondigd in verband met gestegen energiekosten. Anders dan door velen gevraagd, komt er geen verlaging van de accijnzen op brandstoffen.

Reiskostenvergoeding

In plaats daarvan wil het kabinet de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht tot 1 januari verhogen van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Wil deze maatregel effect hebben, dan heeft het kabinet de medewerking van werkgevers nodig. De verhoging van de onbelaste vergoeding zou een prijsstijging van circa 30 cent per liter brandstof moeten compenseren.

Maatregelen voor bedrijven

Per 1 juli wordt de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers voor een half jaar gehalveerd. Voor vrachtauto’s gaat in die periode een nihiltarief gelden.

De garantieregeling ondernemersfinanciering (GO) wordt met vijf jaar verlengd, terwijl het borgstellingsdeel van het Borgstellingskrediet MKB (BMKB) voor de duur van een jaar wordt verhoogd.

Voor de visserijsector komt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling. Het kabinet maakt hiervoor € 25 miljoen vrij op de begroting van het ministerie van LVVN.

Er wordt versneld geld uit het Klimaat- en Energiefonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. De Energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%.

Energiebesparing

Om de verduurzaming van woningen te versnellen maakt het kabinet geld vrij voor het Warmtefonds en voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Ook wordt er in 2027 geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE). Via het Nationaal Warmtefonds kunnen woningeigenaren een lening krijgen om hun woning te verduurzamen, ongeacht de hoogte van hun inkomen.

Noodfonds energie

Er komt een noodfonds energie voor mensen met een laag inkomen en een hoge energierekening. De hoogte van de steun wordt gekoppeld aan de hoogte van de energieprijzen.

Inruilregeling

In het vierde kwartaal van 2026 komt er een inruilregeling voor oude fossiele brandstofauto’s. Deze regeling is een subsidie op de aanschaf van een gebruikte elektrische auto. De ingeruilde auto wordt vervolgens gesloopt. Deze regeling is bedoeld voor lagere inkomens.

Dalurenkaart openbaar vervoer

Tijdens de behandeling van de plannen in de Tweede Kamer heeft het kabinet het voorstel overgenomen om voor de zomermaanden een dalurenkaart voor het openbaar vervoer toe te voegen. Daarmee is het mogelijk om tegen een vast tarief per maand onbeperkt te reizen buiten de spitsuren.

Bekostiging

Deze maatregelen worden bekostigd door de afschaffing van de startersaftrek voor beginnende ondernemers en door versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Verder wordt de accijns op alcoholhoudende dranken voortaan jaarlijks geïndexeerd. De maatregelen voor energiebesparing en de inruilregeling voor fossiele brandstofauto’s worden gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds.

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 19-04-2026

Vereenvoudiging partnerbegrip Toeslagen

Via het toeslagenstelsel wordt jaarlijks ruim € 20 miljard uitgekeerd aan circa 10 miljoen mensen in Nederland. Het stelsel is complex. De gevolgen van veranderingen in de leefsituatie op het recht op toeslagen zijn niet altijd te overzien. Enkele van de meest prangende knelpunten in het huidige toeslagstelsel doen zich voor binnen het partnerbegrip voor de toeslagen (toeslagpartnerbegrip). De staatssecretaris van Financiën stelt voor om per 1 januari 2027 het toeslagpartnerbegrip te vereenvoudigen. 

Criterium samengestelde gezinnen vervalt

Het criterium dat twee meerderjarigen op hetzelfde adres met een minderjarig kind van een van hen als toeslagpartner aanmerkt, komt te vervallen. Dit leidde vaak tot ongewenste partnerschappen, bijvoorbeeld bij mantelzorgers of woningdelers. Naar schatting 10.000 burgers worden hierdoor niet langer onbedoeld als toeslagpartner aangemerkt. Zij ontvangen in de nieuwe situatie dezelfde toeslagen als alleenstaanden, wat duizenden euro's per jaar kan schelen. Dit vereenvoudigt het toeslagpartnerbegrip voor burgers en de Dienst Toeslagen.

Toeslagpartnerschap in voorafgaand jaar en rest van het jaar geschrapt

Het criterium, dat mensen als toeslagpartner aanmerkt omdat zij in een kalenderjaar elkaars toeslagpartner waren en in het daaropvolgende jaar op hetzelfde adres wonen, wordt geschrapt. Ook het criterium dat mensen, die een deel van het jaar toeslagpartner zijn, voor de rest van dat jaar als partner worden aangemerkt, komt te vervallen. 

Uitzondering voor ontheemden uit Oekraïne vervalt

De uitzondering, die ontheemden uit Oekraïne niet als medebewoner voor de huurtoeslag aanmerkt, komt te vervallen. Vanaf 1 januari 2027 tellen hun inkomen en vermogen mee bij de berekening van de huurtoeslag van het gasthuishouden. Dit normaliseert hun juridische positie en sluit aan bij het streven dat zij naar vermogen meedoen en meebetalen.

Minderjarigen geen toeslagpartner

Voortaan ontstaat geen toeslagpartnerschap wanneer ten minste één van de partners minderjarig is. Dit voorkomt financiële problemen voor minderjarige ouders die anders de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget zouden mislopen. Zodra de jongere partner meerderjarig wordt en zij nog samenwonen, ontstaat alsnog een toeslagpartnerschap.

Verlaging vermogensgrenzen zorgtoeslag en kindgebonden budget

Ter dekking van de kosten van de vereenvoudigingsmaatregelen worden de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verlaagd. Per 1 januari 2027 dalen deze grenzen met bijna € 30.000. Deze verlaging raakt ongeveer 50.000 huishoudens die hierdoor hun recht op één of beide toeslagen verliezen. 

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 15-04-2026

Btw volledig aftrekbaar dankzij oude afspraak

Een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking bouwt een nieuw complex met productieruimten. In die ruimten maken cliënten goederen voor de verkoop, zoals vogelhuisjes, tassen en bakkerijproducten. Ook verrichten zij diensten aan derden, zoals verpakkingswerk. De instelling wil de btw op de bouwkosten volledig aftrekken.

Inspecteur: gemengd gebruik

De inspecteur gaat niet mee in volledige aftrek. De productieruimten worden niet alleen gebruikt voor belaste verkoop, maar ook voor de dagbesteding van cliënten. Die dagbesteding is een vrijgestelde prestatie waarvoor de instelling een vergoeding ontvangt uit publieke middelen. Er is dus sprake van gemengd gebruik. De inspecteur staat daarom slechts 4% btw-aftrek toe, berekend naar de verhouding tussen belaste en vrijgestelde omzet.

Rechtbank: inspecteur heeft wettelijk gelijk

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wettelijk gezien gelijk heeft. Echter, in 2007 heeft de instelling de Belastingdienst gevraagd om bevestiging van haar werkwijze. Zij stuurde daarbij een overzicht mee van al haar locaties met de gehanteerde aftrekpercentages. Voor de productielocaties hanteerde zij 100% aftrek. In 2009 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek uitgevoerd. In het controlerapport staat: "Op basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd."

Afspraak geldt ook voor nieuw complex

De rechtbank honoreert het beroep op het vertrouwensbeginsel. Relevant voor dit oordeel is dat de activiteiten sinds 2009 niet zijn veranderd. Het enige verschil is dat de productielocaties nu worden samengevoegd in één nieuw complex. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de afspraak uit het boekenonderzoek niet geldt voor nieuwe gebouwen. Als de inspecteur had willen voorkomen dat de afspraak zou gelden voor nieuwe investeringen, had hij een duidelijk voorbehoud moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan en daarnaast is de afspraak nooit opgezegd. De instelling mag de btw op de bouwkosten van de productieruimten daarom volledig aftrekken.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:2380 | 24-03-2026

Consulente relatiebureau geen ondernemer

Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd. 

Winst uit onderneming?

Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming. 

Fictieve dienstbetrekking 

Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:353 | 19-01-2026

Nieuwe bank Belastingdienst

Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Het nieuwe rekeningnummer staat op de website en in de berichten die de Belastingdienst stuurt. Ook worden de belastingteruggaven overgemaakt vanaf het nieuwe rekeningnummer.

In veel gevallen verloopt de overgang automatisch. Of actie nodig is, hangt af van de manier waarop betalingen worden gedaan. 

Betalen via iDEAL | Wero

Bij betalingen via iDEAL | Wero in het overzicht betalen en ontvangen wordt automatisch het nieuwe rekeningnummer gebruikt. Hiervoor is geen aanpassing nodig.

Automatische incasso

Ook bij automatische incasso verandert er niets. De Belastingdienst zet de incasso zelf om naar het nieuwe rekeningnummer.

Internetbankieren

Bij betalingen via internetbankieren is het belangrijk om per 1 mei 2026 het nieuwe rekeningnummer te gebruiken dat wordt vermeld in de betaalinformatie bij een belastingaanslag of rekening. Daarnaast is het verstandig het bestaande rekeningnummer in het adresboek van het internetbankieren aan te passen.

Papieren overboekingsformulier

Bij gebruik van een papieren overboekingsformulier moet per 1 mei 2026 eveneens het nieuwe rekeningnummer worden gebruikt dat staat vermeld op de betaalinformatie bij de aanslag of rekening.

Periodieke overboeking

Bij een periodieke overboeking moet het rekeningnummer worden aangepast zodra betaalinformatie met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer wordt ontvangen.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 15-04-2026