Auteur: admin

Crypto-investering op naam dga niet aftrekbaar bij bv

Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv. 

Investering in cryptomining

In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.

Investering blijkt waardeloos

Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.

Overeenkomst staat op naam dga

De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.

Hof volgt inspecteur

De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1023 | 18-03-2026

Hoge Raad verruimt mogelijkheid om belastingschuld aan te vechten

Een adviseur begeleidt de sanering van een groep vennootschappen. De vennootschappen gaan failliet. De curator stelt de adviseur aansprakelijk voor de schade van de schuldeisers. Die schade bestaat grotendeels uit belastingschulden. De adviseur vindt dat die belastingschulden niet kloppen en wil dat de Ontvanger ze intrekt. Kan een buitenstaander de belastingschuld van een ander aanvechten?

Faillissement en Peeters/Gatzen-vordering

In 2006 gaan zeven vennootschappen failliet. De Ontvanger dient naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting in. De curator stelt de adviseur aansprakelijk namens de gezamenlijke schuldeisers wegens onrechtmatig handelen bij de sanering. Dit is een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering: de curator vordert niet namens de boedel, maar namens alle schuldeisers gezamenlijk. Het hof wijst de vordering toe en veroordeelt de adviseur tot schadevergoeding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Nieuwe administratie duikt op

Jaren later krijgt de adviseur administratie in handen waaruit zou blijken dat de vennootschappen helemaal geen omzetbelastingschulden hadden. Hij probeert het arrest te laten herroepen. De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van dat verzoek en wijst de zaak terug. Uiteindelijk schikken de adviseur en de curator. Maar daarmee is de kous niet af. De adviseur wil ook dat de Ontvanger de belastingaanslagen intrekt.

Ontvanger erkent kleine fout

De adviseur vraagt de Ontvanger de belastingaanslagen te toetsen op materiële verschuldigdheid. De Ontvanger erkent dat een bedrag van € 14.006 ten onrechte niet is verrekend, maar wijst het verzoek voor het overige af. De aanslagen zijn volgens hem niet onmiskenbaar onjuist. De adviseur stapt naar de burgerlijke rechter en eist intrekking plus schadevergoeding. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af.

Ommezwaai bij verhaalsconcurrentie

De Hoge Raad zet de regels op een rij. Als de Ontvanger iemand aansprakelijk stelt voor de belastingschuld van een ander, mag die persoon de juistheid van de schuld bij de burgerlijke rechter betwisten. Nieuw is dat dit ook geldt bij verhaalsconcurrentie, de situatie waarin de Ontvanger en een andere schuldeiser beide verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar. Op dit punt komt de Hoge Raad uitdrukkelijk terug van zijn in 2011 gewezen arrest Dumatrust/Ontvanger.

Adviseur vangt bot

De adviseur valt echter buiten deze categorieën. Hij is niet door de Ontvanger aansprakelijk gesteld en er is geen verhaalsconcurrentie. Het is de curator die hem aansprakelijk heeft gesteld. In zo'n geval moet de adviseur het uitvechten met de curator, niét met de Ontvanger. De Ontvanger handelt pas onrechtmatig als hij bij indiening of handhaving van de vordering wist, of na onderzoek had moeten weten, dat de aanslagen niet klopten. Dat is hier niet gebleken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:817 | 28-05-2026

Voorlopige inhoud Belastingplan 2027

De voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027-pakket geeft een eerste blik op de aanstaande wijzigingen. Het pakket Belastingplan 2027 omvat vier wetsvoorstellen, waaronder het Belastingplan 2027 zelf en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2027, dat technische aanpassingen bevat zonder budgettaire gevolgen. Daarnaast zijn er wetsvoorstellen voor veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 en fiscale stimulering van startups en scale-ups.

Overdrachtsbelasting en btw
De overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders daalt van 8% naar 7% per 1 januari 2027 voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen. Ook komt er een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor woningcorporaties die DAEB-woningen aan elkaar overdragen. Het lage btw-tarief voor sierteeltproducten stijgt van 9% naar het algemene btw-tarief van 21% per 1 januari 2028.

Aftrekposten en accijnzen
De aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wordt afgeschaft per 2028. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. De onbelaste reiskostenvergoeding stijgt met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De korting op de brandstofaccijns voor benzine wordt verlengd in 2027, waarna het reguliere tarief per 1 januari 2028 weer van toepassing is. Vanaf 2027 worden de alcoholaccijnzen jaarlijks geïndexeerd.

Fiscale stimulering en overige maatregelen
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. De fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om onevenwichtigheden weg te nemen. De accijnsteruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt per 1 januari 2027 beëindigd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2026D28734 | 09-06-2026

Boete vervalt door strafrechtelijke vrijspraak, navordering niet

Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?

Opmerkelijke transacties

Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.

Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte

Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.

Belastingrechter oordeelt zelfstandig

De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Boete sneuvelt op onschuldpresumptie

Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026

Poolse klusjesman heeft vaste inrichting in Nederland

Een Poolse ondernemer exploiteert een klusbedrijf en verricht renovatie-, stukadoors- en schilderwerk in Nederland. Hij verblijft afwisselend in Polen en Nederland: twee weken daar, drie weken hier. De inspecteur legt over 2017 en 2018 navorderingsaanslagen op en over 2019 een aanslag. De ondernemer stelt dat hij geen vaste inrichting heeft in Nederland en dat de winst dus niet in Nederland belastbaar is. 

Woonplaats in Polen, werkzaamheden in Nederland

De ondernemer woont in Polen, maar staat jarenlang ingeschreven op diverse Nederlandse adressen. De ondernemer en de inspecteur zijn het erover eens dat Polen op basis van het belastingverdrag als woonland geldt. De vraag is of Nederland mag heffen over de winst uit de hier verrichte werkzaamheden.

Woning is vaste inrichting

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse woning waar de ondernemer verblijft een vaste inrichting vormt. De ondernemer is de enige die werkzaam is voor de onderneming. Tijdens zijn verblijf in Nederland voert hij niet alleen klussen uit, maar heeft hij ook afspraken met klanten, maakt hij offertes en sluit hij overeenkomsten. De rechtbank acht aannemelijk dat in de woning werkzaamheden worden verricht zoals klantcontact en het bijhouden van de administratie.

Eenmanszaak kan zichzelf vertegenwoordigen

De ondernemer betoogt dat een eenmanszaak zichzelf geen machtiging kan verlenen en dat daarom artikel 5 lid 5 van het belastingverdrag niet van toepassing kan zijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. Doel en strekking van de bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting wanneer iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Een interpretatie waarbij alleen een werknemer of een derde een vaste inrichting zou vormen, maar de ondernemer zelf niet, acht de rechtbank niet in overeenstemming met deze strekking.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4373 | 19-05-2026

Rechtbank adviseert klacht tegen UWV wegens te lage loonheffing

Een man ontvangt een aanzienlijke nabetaling van het UWV. De rechtbank concludeert dat de man de nabetaling fiscaal heeft genoten in 2020. Dit komt doordat hij het geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid bestond over zijn recht op de uitkering. Volgens de wet is het genietingsmoment van loon ineens het moment van nabetalen. De rechtbank kan deze situatie niet veranderen, omdat dit een keuze van de wetgever is. De aanslag klopt dan ook.

Te weinig loonbelasting

De rechtbank heeft wel sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een brutoloonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het nettobedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan de man uitbetaald. De opgetelde brutobedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden.

Klacht en middeling

De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar de man zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan de man dan de uitspraak van de rechtbank meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit. Daarnaast zou een verzoek tot middeling tot een teruggaaf voor de man kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. De rechtbank heeft de stukken van de man tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur gestuurd, zodat de inspecteur het verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit de uitspraak in behandeling kan nemen.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2024:2177 | 05-06-2026

Navordering na geautomatiseerde aanslag terecht

Een vrouw woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in die jaren een Ziektewet-uitkering van het UWV. De vrouw doet aangifte voor beide jaren, waarin zij de uitkeringen als 'elders belast' op nihil stelt. De inspecteur legt de aanslagen geautomatiseerd op, conform de aangiften. Later maakt de vrouw bezwaar tegen de aanslag 2020, waarin zij stelt dat zij geen inkomen in Nederland ontvangt. De inspecteur kondigt vervolgens navorderingsaanslagen aan voor 2019 en 2020, omdat Nederland volgens hem wel heffingsrecht heeft over de ZW-uitkeringen. 

Grond voor navordering

De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout. De aangiften zijn geautomatiseerd afgedaan en niet handmatig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat navordering mogelijk is als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout van de vrouw, tenzij de inspecteur de fout welbewust heeft geaccepteerd. Dat laatste is niet het geval. De aanslagen zijn te laag vastgesteld door de geautomatiseerde aanslagregeling, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur. Omdat het verschil tussen de aanslagen en de verschuldigde belasting meer dan 30% bedraagt, wordt aangenomen dat de fouten voor de vrouw redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank oordeelt dat er een geldige navorderingsgrond is.

Verbod op verslechtering

De vrouw stelt dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen (het verbod van 'reformatio in peius'). De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit verbod niet heeft geschonden. De wetgever heeft niet bedoeld dat het verbod ook geldt als er een zelfstandige grond voor navordering bestaat. Aangezien de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen, levert het gebruikmaken van deze bevoegdheid geen strijd op met het verbod.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4358 | 18-05-2026

Voorraad herwaarderen via kapitaalrekening leidt tot winstcorrectie

Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Overgenomen schuld telt mee voor ab-heffing

Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.

Niet onder normale omstandigheden

Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.

Schuld telt mee

De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.

Nominale waarde niet aannemelijk

Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.

Overwaarde als maatstaf

De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:807 | 24-03-2026

Nieuwe wet faciliteert digitale algemene vergadering

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. 

Volledig digitale vergadering mogelijk

De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.

Aangescherpte voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen

Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.

Vereenvoudigde digitale oproeping

Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.

Bron: Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetsvoorstel | 36489 | 01-06-2026