Maand: juli 2026

Afschrijving maximaal 20%

Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.

Afschrijving en autokosten

Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.

Maximale afschrijving

De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:15431 | 28-05-2026

Verhuur bedrijfspanden kwalificeert niet voor bor

Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).

Waarom is de materiële onderneming zo belangrijk?

De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.

Meer dan normaal vermogensbeheer?

De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.

Gewone verhuurwerkzaamheden

Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:3418 | 26-05-2026

Stichting die tuchtcolleges ondersteunt is btw-ondernemer

Een stichting ondersteunt de tuchtcolleges voor de advocatuur. De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) betaalt hiervoor een jaarlijkse bijdrage. De stichting meent dat zij geen btw-ondernemer is, omdat zij niet zelfstandig opereert en haar diensten het algemeen belang dienen. De Hoge Raad oordeelt anders.

Driehoeksverhouding

De stichting is in 2015 opgericht om de tuchtcolleges te ondersteunen bij hun taak. Zij werft griffiers en administratief personeel, huurt zittingszalen en werkplekken, beheert de websites van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. De griffiers zijn formeel in dienst bij de stichting, maar worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges zelf. Sinds 2018 betaalt niet langer de Staat, maar de NOvA de kosten van de tuchtrechtspraak. De stichting ontvangt daarom een jaarlijkse kostendekkende bijdrage van de NOvA. Aan de tuchtcolleges brengt zij niets in rekening.

Drie argumenten tegen btw-plicht

De stichting stelt zich op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd is over de bijdrage van de NOvA. Ten eerste zou zij niet zelfstandig opereren, omdat zij organisatorisch verweven is met de tuchtcolleges en volledig afhankelijk is van hun aanwijzingen. Ten tweede zou zij niet deelnemen aan het economische verkeer, omdat haar specialistische diensten niet op een algemene markt worden aangeboden. Ten derde zou geen rechtstreeks verband bestaan tussen haar diensten en de bijdrage van de NOvA, omdat zij handelt in het algemeen belang van de rechtsstaat.

Zelfstandigheid

De Hoge Raad verwerpt alle drie de argumenten. Het begrip zelfstandigheid moet ruim worden uitgelegd. De stichting sluit in eigen naam contracten met leveranciers, onderhandelt zelf over de voorwaarden en gaat arbeidsovereenkomsten aan met haar personeel. Dat de griffiers formeel worden aangewezen door de tuchtcolleges en voor de inhoud van hun werk verantwoording aan hen verschuldigd zijn, doet hier niet aan af. Die wettelijke bepalingen beogen de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak te waarborgen, niet de stichting ondergeschikt te maken aan de tuchtcolleges.

Economisch verkeer en rechtstreeks verband

Ook het argument dat de stichting niet deelneemt aan het economische verkeer slaagt niet. De diensten van de stichting omvatten meer dan alleen griffierswerkzaamheden. Zij verzorgt de volledige organisatie en coördinatie van de tuchtrechtspraak. Dergelijke ondersteunende diensten kunnen ook door andere partijen worden aangeboden. Dat de stichting statutair gebonden is aan de tuchtcolleges als enige afnemers, sluit deelname aan een algemene markt niet uit. Tot slot verwerpt de Hoge Raad het beroep op het algemeen belang. Het feit dat de tuchtrechtspraak de rechtsstaat en de maatschappij dient, betekent niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten en de vergoeding. De tuchtcolleges zijn de identificeerbare verbruikers van de diensten en de bijdrage van de NOvA vormt de tegenprestatie. Het cassatieberoep is ongegrond.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:959 | 18-06-2026

Slotkoers voorafgaande maand toegestaan bij waardering dividend in vreemde valuta

Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro's tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim € 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?

Dividend uit China

De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim € 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna € 2,5 miljoen.

Inspecteur wil dagkoersen

De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna € 5 miljoen. De correctie van ruim € 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.

Waarom de slotkoers?

De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico's worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.

Goed koopmansgebruik

De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026