Maand: augustus 2026

Lening omkatten naar vergoeding redt aftrek niet

Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.

Geen reden voor afwaardering in 2020

De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen.

Omzetting lening ongeloofwaardig

Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3026 | 16-04-2026

Koopovereenkomst nieuwe woning geen box 3-schuld

Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning.

Box 3-schuld?

De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5017 | 23-06-2026